2002 07 28

Remake Brasil

Ik was Terry Gilliam's 'Brasil' aan het overmaken, als regisseur. De film begint als een film, ik speel nog niet in mijn eigen droom mee.

 

Een man kan plotseling vliegen. Er is een machine in hem gebouwd, door een derde partij, die dat mogelijk maakt. Hij vliegt langs de ramen van een flat. Eerst raakt ie in paniek, en hij probeert met de mensen in de flat in contact te komen; hij schreeuwt om hulp naar de mensen achter de ramen. Maar hoe hoger hij komt, hoe mooier de meisjes in de flat worden, en het worden er steeds meer per kamer. Als hij langsvliegt, draaien op een bepaald moment alle meisjes zich net om (op bed, ze gaan op hun buik liggen, en we zoomen in op de rode glitterpumps van 1 van de meisjes), en ze zijn allemaal vreselijk 60s gekleed. Op een gegeven moment zijn er zoveel mooie meisjes per kamer, dat ze in stapelbedden moeten liggen. Hij vergeet hierdoor zijn paniek. Als -ie rustig wordt, daalt -ie weer en landt hij in de buurt van zijn tegenspeelster. Die is een soort spionne voor de derde partij. Het is een bloedmooie vrouw met een zwarte hoornen bril en extreem glimmende rode lippen en een zwart 'pruik-achtig' kapsel met een strakke pony. De hoofdrolspeler zegt dat ze mooier is dan alle vrouwen die hij daarboven zag bij elkaar en zoent haar hartstochtelijk. Ze duwt haar tuitlippen aan deze scene vooraf in de camera. 'Cut!' horen we van de regisseur, en we lopen samen met de camera uit de poort waar de man vlakbij geland was.

 

Ik begin langzamerhand te veranderen in de persoon van de regisseur. 'Zo iets?' vraagt de acteur, doelend op de zoen-scene. Ik ben geirriteerd, want, weet ik nu ik de regisseur ben, ik ben jaloers. Ik wil die mooie actrice zoenen. Ondertussen trekt de hoofdrolspeler al wandelend en zuchten zijn toupet af. Plakband kleeft aan zijn kale hoofd. De regisseur, ik dus, zegt 'Neeneenee' en pakt met beide handen het hoofd van de knappe actrice. Geeft haar een tuttige zoen op haar lippen. Heel stijfjes, laat haar los, en zegt weglopend: 'meer zo iets'.


Ik besluit dat we vandaag niet verder werken. Ik loop de set af, een straat in, en ineens valt het me op dat het decor van de realiteit overeenkomsten heeft met de film waar ik al zolang aan werk. De werkelijkheid ziet er een beetje uit als een low-budget variant van de filmset. De straat waardoor ik altijd naar huis loop is welliswaar voornamelijk zeegroen, maar in het begin, aan de linkerkant zit ook een winkel. In dit geval slechts een open luik in een houten huis, zoals je veel apotheken in India ziet, met een slecht funktionerend neonbord erboven. Op de filmset is dat een sjieke, uit zilveren golfplaten opgetrokken hippe winkel. Maar eigenlijk verkopen ze hetzelfde. Aan de rechterkant staan zeegroene, armoedige flats. Ikzelf ben een antiheld, qua type. Ik lijk wel op de hoofdrolspeler van Brasil.

 

Er komt een man op een paard uit de verte aan. Bruin paard, de man heeft een bruine pet, jas en broek en een rood verweerd gezicht. Ik hoor zijn stem in mijn hoofd, terwijl ruiter en paard recht op me aflopen. 'At the moment you see me...' ze komen nu zo dichtbij dat ze me gaan raken, ik kan niet meer ontsnappen. Sluit mijn ogen in paniek, maar ik wordt niet geraakt. Ik kijk om naar achteren en zie dat de ruiter en het paard in tweeën zijn gesplitst: het zijn nu twee identieke ruiters met paarden die naast elkaar verder lopen: ik paste er precies tussen. '...I'm not there.'
Ik denk erover na: 'At the moment you see me, I'm not there.' Dat heeft hij al een keer eerder tegen me gezegd, in een droom. Mmmmhh.


Eerder die nacht droomde ik over haaien. Ik ging vaak zwemmen in de zee, en las veel over wat je moest doen in noodgevallen. Mijn beroep was haaienvisser-controleur. Ik controleerde of ze de dieren wel met respect vingen. Het bleek van wel: Ze zeiden altijd tegen de haaien die ze vingen: 'vandaag ben jij het, morgen kan ik het zijn.' De haaien waren niet groot: ongeveer een halve meter lang. Ik had gelezen dat je altijd stil in het water moest gaan drijven als ze eraan kwamen: ze schenen op beweging af te komen. En als ze bijten wordt je bang, en dan maakt je lichaam een stof aan, die bij de haai via het speeksel naar binnen komt, en wat bij het dier de reactie teweegbrengt dat het harder gaat bijten.
Als de haai bijt, kan hij zowiezo niet ophouden. Maar als hij je angst-sap proeft, bijt hij dóór. Zolang je dus je angst beheerst, blijf je leven. Maar de haai zal nooit meer loslaten.


Ik trainde de angstbeheersing en het stille drijven door in smalle vaargeulen te zwemmen waar haaien tegen mijn richting inzwommen. Als er een haai langskwam, schuurde hij tegen mijn lichaam en ik moest me stil houden. Tot ie helemaal voorbij was. Op een dag krijg ik een slok water binnen; ik proest en beweeg zodoende, en een haai bijt zich vast in mijn arm. Ik voel angst opkomen en de haai bijt harder. Het lukt me de angst te beheersen maar ik kan niet van de haai afkomen: die heeft zich vastgebeten. In een reflex schud ik met mijn arm, al kost het me mijn vlees: dat beest moet eraf. Op de beweging komen andere haaien af die zich ook aan mijn lichaam vastbijten. Ik zink, omdat ik roerloos wil blijven, maar dat beangstigd me en de haaien bijten me dood.