1996 07 18

 

De weg voorbij God

Ik ga op vakantie en er komt een soort Bennie Hill-act van een man die de trappen afglijdt; hij had geprobeerd zijn reet te dichten met cement, maar dat bleef nat, en een groot spoor achterlatend gleed hij op zijn buik alle trappen van het hotel af. We hoorden hem joelen, terwijl hij de vierkantige wenteltrap af gleed. Hij werd een voorstander van reizen op deze manier, het ging zoveel sneller. Al glijdend moet alles veranderd zijn.
Beneden kwamen we uit een soort tunneltje, het einde van een glijbaan. Wij drieën waren de Tijd. (deze scene heb ik een paar keer over gedroomd. De 1e x hadden we alledrie een zwaard. We moesten vechten met drie aanhangers van de duivel. De 1e die beneden was kreeg een machine-achtig harnas en moest vechten tegen de 1e tegenstander die aankwam. Als er een volgende kwam, moest die ook een harnas aan, en de 2e werd met een ketting verbonden aan zijn partijgenoot. Gijs Groovy en ik zaten al aan elkaar, maar er was nog maar 1 tegenstander. Daar kwam een nieuwe tegenstander aangegelden. Gijs en ik overlegeden of we hem NU zouden doden, of even een kans moesten geven. Dan zou hij met een ketting aan zijn partner worden geklonken en dan boodt ie minder weerstand.
Beide ideeëen zijn geprobeerd, in het overnieuw dromen van deze scene.

Later zijn we al drie tegen drie en worden we zonder harnas maar wel met handboeien aan elkaar verbonden. Om evenwicht te vinden, werd je met de hand die je niet had gebruikt op de glijbaan vastgeklonken. Maar ik ben links EN rechts, het maakt maar net uit wat ik aan het doen ben, en ik had mijn linkerhand tijdens het glijden gebruikt, en nu werd mijn rechterhand vastgezet, waar ik nu juist weer wel een zwaard mee oppak. Daardoor was ik de enige met een ongustige positie.

De tegenstanders waren ontzetten wilde gespierde mannen, met lange haren, die al schreeuwden en aan hun kettingen rukten toen ze hun zwaarden kregen. In sommige versies winnen we, in sommige versie verliezen we. Als we winnen schenken we meestal genade. Dan doodt je je tegenstander niet, en moet die levend, maar ongewapend, vastgeklonken blijven zitten aan zijn partijgenoten. Wij zijn de Tijd.
Aan het eind van vele verschillende versies van het gevecht, sta ik op verdorde aarde. Satan heeft verloren, de man die bestond uit brandend vuur heeft zichzelf begraven. Het is schemerig, bijna nacht. Ik vraag of ie het nou echt zo erg vind dat ie dood is en hij zegt: 'Stil, ik ben dood.' Ik zie hem liggen in zijn kuil, al is die tot de rand toe gevuld met zwartbruine aarde. Als hij praat zie ik hem bewegen. De aarde kleeft aan zijn kolen. Hij is kennelijk uitgeblust. Het is het einde der tijden. God roept alles bij zich. Het begint te zuigen, richting de zon. Ik stijg en ik stijg, terwijl ik op dezelfde afstand als satan ben, met wie ik aanvankelijk blijf praten over het feit dat ie verloren heeft. Ik ga richting God. Ik suis door de kosmos naar een soort zon. Alles gaat daar doorheen, alles behalve Satan. Ik vraag of hij er niet heen gaat, en hij zegt: 'Ik ben alles wat God niet is.'
We zijn verenigd maar suizen door. Er komt een soort cirkel te voorschijn met een tunnel of zo iets erachter, van oranjerood licht. Als vuur. Ik vlieg erin en voel pure liefde als ik op een gegeven moment door een paar barrières vlieg. Er ontstaan cirkels van licht oranjerood licht waar ik doorheen ga. De sterren staan er als cirkels (poorten zoals de EU vlag, maar dan mooi). Ik blijf naar een middelpunt in de verte vliegen.
Ik zeg: 'Ik ga naar de schepper'. het is fantastisch sensationeel. Satan in de grond zegt dat hij ook naar de schepper teruggaat, want we zijn namelijk al voorbij God. Maar ALLES gaat terug naar de schepper. Satan zegt: 'ik kan toch niet voor altijd blijven vallen.' Ik denk: 'Ik houdt van alles en iedereen.'